U bent hier    > Geschiedenis
    
Word Lid!
  
Geschiedenis
 

Een beknopte geschiedenis van het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond te Leuven.

Ook vóór de stichting van het K.V.H.V. in 1902 bestonden er Vlaamse  Studentenverenigingen te Leuven. In 1836, enkele jaren na de herinrichting te Leuven van de katholieke universiteit, stichtte Emmanuel Van Straelen het Nederduytsch Tael- en  Letterlievend Genootschap “Met Tijd en Vlijt”. Na enkele jaren werd professor David er voorzitter van, na diens dood in 1865 professor P.  Willems.

Taalbeheersing en encyclopedische kennis in een rederijkersatmosfeer werden  nagestreefd door dicht- en prozawerk en lezingen allerhande. Slechts zelden werd hiervoor beroep gedaan op niet-leden. Daarnaast ontstond  langzamerhand belangstelling voor de politieke Vlaamse actie, al werd dit  nooit het hoofddoel. Zo vroeg Met Tijd en Vlijt een leerstoel voor  Nederlandse Taal- en Letterkunde, doch professor Willems weigerde een  verzoekschrift aan de Bisschoppen te richten om de gedeeltelijke  vervlaamsing van het onderwijs te vragen, zoals A. Depla voorstelde  (1876).

Hierop werd door enkele leden een studentenafdeling van het Davidsfonds  opgericht met professor G. Verriest als voorzitter. Deze afdeling verdween  echter zodra Willems algemeen voorzitter van het Davidsfonds werd. Daarop  ging het enthousiasme van die studenten, waaronder Rodenbach, terug volledig naar de jongstudentenbeweging; Tijdens een congres te Gent op 5 september  1877 organiseerden zij een aantal college- en verlofbonden in een “Algemene  Studentenbond”, waarvan Het Pennoen de band zou zijn. De leiding was  uitsluitend in handen van Leuvense studenten, zoals Rodenbach (voorzitter)  en Pol De Mont (secretaris en leider van de gouw Brabant).  Interne spanningen, de vroegtijdige dood van Rodenbach, het Vlaams  particularisme en de tegenkanting en vervolging van vele colleges deden de  Algemene Studentenbond verdwijnen. De jongstudentenbeweging bleef bestaan,  gestimuleerd door haar tijdschriften o.a. De Vlaamse Vlagge  (West-VIaanderen) en De Student (Brabant). Wie als jongstudent in deze beweging vorming en onafhankelijk denken verworven had, was niet bereid in  Leuven onder voogdij van professoren en Universiteit te blijven. Naast de  toenmalige door professoren geleide en door de universiteit beschermde  -meestal Franstalige- studentenverenigingen werden nieuwe, volkomen  onafhankelijke studentenverenigingen opgericht. In 1883 werd de West-Vlaamse  Gilde opgericht door blauwvoeters Alfons Depla, Aloïs Bruwier en Emiel  Lauwers. De andere gilden ontstonden in 1885. Meerdere clubs dateren eveneens uit deze jaren.

Op 15 oktober 1888 verscheen het eerste Ons Leven. De stichter, Adelfons  Henderickx - die in 1880 medestichter was van "De Student" - werd later  geholpen door medejurist Hendrik Priem en door de "geestjes" Jos Sencie en  Luytgaerens. In 1891 stichten Sencie en Aloïs Van de Vyvere de “Sociale  Studiekring en Sprekersbond”. De in dat jaar heropgerichte Algemene  studentenbond verdween na enkele jaren felle vervolging. De Vlaamse Beweging  was echter niet meer te stuiten: in 1894 werd het algemeen stemrecht  ingevoerd, zodat er méér Vlaamingen in het parlement waren. Toch werd het  wetsvoorstel Coremans-De Vriendt (wetten ook in het Nederlands opstellen)  verworpen in 1896.

De Vlaamse studenten hadden een partitair bestuur van de Société Générale  des Etudiants gevraagd; sommigen waren zelfs bereid vrede te nemen met één  Vlaamse vergadering per jaar. Zelfs dat werd door de Walen afgewezen. Dit  leidde tot een crisis in de Générale en enkel jaren later tot de  ontdubbeling ervan in KVHV en Fédé. Omwille van al die herrie werden al de  studentenbladen verboden. Toch werd het tienjarig bestaan van Ons Leven  luisterrijk gevierd. Karel Heyndrickx, die deze feesten georganiseerd had,  gaf in mei 1898 zijn tweedelig studentenliederboek uit, 125 liederen met  klavierbegeleiding, grotendeels teksten uit Ons Leven of speciaal voor deze  uitgave geschreven en getoonzet.  Al die successen versterkten het  zelfvertrouwen van de Vlamingen, die in 1902 de federale structuur in de  Générale invoerden. Zo hield het Vlaams Verbond, geleid door de vijf  gildepresides, op 27 november zijn eerste vergadering. Het had toen 450  leden. En op 30 augustus 1903 werd het AKVS (Algemeen Katholiek Vlaams  Studentenverbond) gesticht o.a. door Karel Heyndrickx en Frans Van  Cauwelaert, schrijver van het KVHV en redactielid van Ons Leven. De jongstudentenbeweging werd dus nog steeds door studenten geleid. Beide  groepen wilden hun leden Vlaams verenigingsleven bieden, Vlaamsbewust en  Vlaamstrijdend maken, zo, dat zij dit bewustzijn en deze strijdbaarheid  zouden uitdragen over heel het Vlaamse land. De meeste studentenleiders  werden gevormd in de jongstudentenbeweging, de meeste jong-studentenbonden  werden geleid door studenten. Jeugd moet door jeugd geleid worden. Dit  hinderde veel gezagsdragers, die jongstudenten- en studentenbeweging bijna onophoudelijk open of verdoken bekampten, tot in 1928 de KSA gesticht werd  om de jongstudenten te binden aan een onder controle van de kerkelijke  hiërarchie staande vereniging, zodat geen tijd overbleef voor de werking van  het AKVS, dat na enkele jaren doodbloedde.

Op cultureel gebied was Leuven eveneens toonaangevend, vooral in de jaren  van Jef Vanden Eynde, twee jaar Verbondspreses, zeven jaar hoofdredacteur  van Ons Leven. Samen met Karel Heyndrickx is hij de grote stuwkracht geweest  van een muzikale verjonging: liederen van Mestdagh en Opsomer werden te  Leuven gezongen, Hullebroeck en Meulemans vierden in Leuven hun eerste  optreden, ware triomfen. Ons Leven, dat letterkundig reeds zeer goed was  (O.K. de Laey was redactielid, G. Gezelle een regelmatig medewerker!) werd  een prachtige kunstuitgave. Jef zorgde bovendien voor het Verbondslied, de  eerste studentenpet en voor Vlierbeekfeesten.

Op politiek gebied eisten de Vlamingen volledige vervlaamsing van het  onderwijs. Het vrij middelbaar onderwijs was nog volledig Franstalig zodat  Coremans in 1904 voorstelde tenminste enkele vakken in het Nederlands te  onderrichten. In 1909, bij de viering van het vijfenzeventigjarig bestaan  van de heringerichte universiteit, liepen de Vlaamse studenten met kleurige  petten achter hun fanfare, de door Joe English getekende Verbondsvlag op  kop, in de feeststoet. Voor de eretribune speelde de fanfare de "Vlaamse  Leeuw" en eisten de studenten "Wij willen Vlaams op de Hogeschool!" Op het  feestmaal werden de rede van de Verbondspreses en van professor Sencie  overstemd door geroezemoes en geroep. De Vlamingen namen dit niet en  betoogden. Toen werden Verbond en Fanfare ontbonden verklaard. De gilden  nodigden elkaar uit op hun vergaderingen, de fanfare werd West-Vlaamse  fanfare. Die ontbinding was dus een slag in het water.

In 1910 werd het eerste Nederlands studentencongres gehouden te Antwerpen.  Dr. A. Van de Perre sprak er over de "Gelijkstelling van de diploma's". Op  andere vergaderingen werd gesproken over de vervlaamsing van de Gentse  staatshogeschool (Arnold Hendrix, Van de Perre en Dosfel in 1910), de strijd  op de taalgrens, vooral in de strook beneden Leuven (Jef Goossenaerts in  1913), en Vlaanderen als bestanddeel van Groot-Nederland (Kamiel Huysmans en  Lambrechts 1914).

De wereldoorlog sloot deze periode af. De meeste studenten stonden vier  jaren in de loopgraven aan de IJzer .Daar werkte een secretariaat voor  Katholieke Vlaamse Hoogstudenten en verscheen in 1916 het door Joe English  verluchte oorlogsnummer van Ons Leven-Hoogstudent (Gent). De studenten  vormden er geen geïsoleerde groep, doch stonden mee in de Frontbeweging,  sommigen behoorden tot de leiders ervan samen met oud-studenten, en in 1918  tot de stichters van de Frontpartij. De van het front terugkerende studenten waren bewust van hun recht en eisten dit vastberaden en volledig op. De  behoudsgezinde Franstaligen wisten echter een golf van hoerapatriottisme te  ontketenen, die vooral tot doel had, de eisen van wie vier jaren  frontsoldaat geweest was, te doen vergeten ten voordele van de generaals, de  mannen van Le Hâvre en de in België gebleven burgerij. De vervolging van de  activisten -waaronder vele studentenleiders van vóór 1904- liet deze  hoerapatriotten toe, te hopen dat de Vlaamse eisen voorgoed vergeten waren.  (Voor 'n duizendtal Vlamingen was geen massarepressie als na 1944 nodig). De  Vlaamse studentenbeweging werd dus koel onthaald in Leuven, waar reeds vóór  de eerste verbondsvergadering staat van beleg afgekondigd werd, zodat men  naar Blauwput trok om zelfbestuur te eisen. Het zesde Diets studentencongres  in 1920 vond plaats op de zolder van het pakhuis van de Boerenbond nadat  alle zalen te Leuven geweigerd waren, zonder "Hollandse" deelnemers, wier  pasvisum geweigerd werd, en met gendarmen, want er was staat van beleg. Op dit illuster zoldercongres, geleid door Berten Pil, Dries Devos en Stan  Leurs, werd gesproken door Cyriel Verschaeve, Borginon, Van Cauwelaert, Van  Isacker, Goossenaerts en Van Merwe.

Het Algemeen Vlaams Hoogstudentenverbond, in 1919 opgericht en waarvan het  K.V.H.V. één der takken was, riep in 1921 de boycot uit van de Vlaamse  leergangen aan de Fransblijvende universiteit te Gent. Het wilde Gent geheel  of niets, zeker geen Nolfbarak. Na de veroordeling van Wies Moens, die  tijdens de oorlog student was aan de vervlaamste universiteit te Gent,  eisten de studenten amnestie en richtten een Kinderen Bormsfonds op; een  amnestiebetoging besloot met een hulde aan de te Leuven opgesloten Borms.  Hierop eiste I' Avantgarde de wegzending van Rarden Iserbyt. Het Verbond  antwoordde met de plakbrief Handen af!: "Wij ontkennen de Walen op de meest  formele wijze het minste recht mede te spreken in zuiver Vlaamse aangelegenheden. In Vlaamsen lande worden zij door ons als vreemdelingen  beschouwd."

Enkele weken later begon het negende Diets Studentencongres te Leuven. De  Walen lokten voortdurend incidenten uit, op een vroege ochtend schoot er een  met een revolver op Berten Vallaeys, die ernstig gekwest werd. De rector  verbood elke politieke of taalprobleembetoging i.p.v. maatregelen te nemen  tegen de revolverheld. Toen Paul Beeckman in een open brief protesteerde,  werd hij buitengezet. Zijn opvolgers, o.a. Gerard Romsee, Tony Herbert en  vijf anderen, die geen volstrekte gehoorzaamheid op elk gebied aan de rector  beloofden, kregen eveneens het consilium abeundi. Tenslotte ontbond de  rector het Verbond, dat zich als niet-ontbonden beschouwde (maart 1925) en  werkzaam bleef in de catacomben. In 1928, na de Bormsverkiezing, vroeg de  rector dat de ouders van zijn studenten zouden beloven, dat hun telg niet  meer tegen België of voor separatisme zou betogen. Seppe Coene beval de  Vlamingen deze afgedwongen belofte te tekenen, doch weigerde zelf en kon dus  gaan. Toen Elias in 1929 niet prof benoemd werd, omdat hij afstand weigerde  te doen van zijn federalistische opvattingen, werd er tot in het huis van de  rector betoogd. Door toedoen van professor Scharpé en van Mgr. Cruysberghs,  de nieuwe vice-rector, en vooral omdat, onder druk van de sinds 1930  volledig vernederlandste universiteit te Gent, de ontdubbeling van de  cursussen toch onvermijdelijk was, werden de betrekkingen met de academische  overheid na 1930 genormaliseerd. De benoeming van Mgr. Van Waeyenbergh,  eerst tot vice-rector en later tot rector, en diens voortdurend ijveren voor  de uitbouw van de Vlaamse leergangen tot een Vlaamse universiteit, wijzigde de verhouding tussen studenten en rectoraat definitief in gunstige zin.  Ondertussen had Mon de Goeyse in 1929 het Seniorenconvent gesticht. Piet  Meuwissen organiseerde huisvestingscommissie en studentenrestaurant, Sociale  Hulp, Verbondswacht, filmavonden, Arbeidskamp te Nijlen en Politieke  Academie waar Viktor Leemans sociologie doceerde. 


Optocht naar de Vlierbeek in 1939 met Verbondswachtpraeses Herman Wagemans voorop.

In 1934 volgden Oudstudentenbond, Studentenhuis (in de Bondgenotenlaan), Verbondskoor en Clubcodex terwijl Ons Leven weekblad werd. In 1936-38 trokken de studenten  er met Grammens op uit om de Franse opschriften in het Vlaamse land te doen verdwijnen. Noch de luisterrijk gevierde lustra van Ons Leven en Verbond, noch dat georganiseer, noch de Grammensactie konden de interne moeilijkheden  van het Verbond in die jaren verbergen. De eenheid van ideologie, gebaseerd op het AKVS, was teniet gegaan. Er heerste verdeeldheid onder de studenten en in gans Vlaanderen: VNV, Verdinaso, DEVLAG, niet-nieuwe-orde krachten.  Het Verbond trachtte onafhankelijk te blijven van elke partij, doch slaagde er niet in een eigen ideologie te ontwikkelen. De oorlog verergerde die  toestand.

Er werd weer samengewerkt met studenten aan andere universiteiten, de  redactie van "Ons Leven" verhuisde één jaar naar Gent, het K.V.H.V. werd  Leuvens studentenverbond, om onder Remi Piryns terug K.V.H.V. te worden.  Toen op 12 maart 1941 Staf De Clercq naar Leuven kwam op uitnodiging van de  V.N.V.-studentenafdeling, hield het Verbond zich afzijdig, totdat, door het  protest en de agitatie van de Walen, het een lafheid voor het Verbond zou  zijn, zich afzijdig te houden, en niet op te treden tegen de Walen,  vreemdelingen in Leuven. Toen de Feldgendarmen Waalse betogers uiteen  jaagden was dit aanleiding tot interne moeilijkheden in het Verbond.  Verscheidene medewerkers trokken zich terug. Toch ging een week later een  grootse Rodenbachherdenking door, de laatste grote prestatie van het Verbond  tijdens de oorlog.

De presesverkiezingen in 1941 versterkten de moeilijkheden zodat het Verbond  een zware inzinking meemaakte. Het Diets studentencongres bracht een scherpe  botsing met het rectoraat. Toen men in 1942-43 ook nog last kreeg met de  bezetter wiens zenuwen door de Heel-Nederlandse strekking van het Verbond  werden geplaagd ("Ons Leven" mocht niet meer verschijnen) en bovendien de  schachten zes maanden tewerk gesteld werden, was het studentenleven  onmogelijk geworden. In 1944, ondanks Engelse bombardementen, richtte  Sociale Hulp een cultuuravond in, voorbode van het naoorlogse  studentenleven. Dat studentenleven werd opnieuw georganiseerd door enkele  professoren en studenten, die onder meer het L.S.G. oprichtten.  Verbondspreses Carlos Gits moest het Verbond heroprichten. Voordat de  zwaarbeschadigde universiteit haar deuren opende begin 1945, gingen er op  13, 14, 15 december 1944 Leuvense Studentendagen door. Er was veel volk, en  evenveel enthousiasme. Het Verbond, en heel Leuven, leefden dat enige  semester in een roes. Alles ging goed. Daverende Verbondsvergaderingen,  waarop o.m. tegen de dwaze en hardvochtige repressie geprotesteerd werd.  In 1946 kwam de koningskwestie, en de relletjes werden nog heviger, toen op  16 maart 1946 de IJzertoren gedynamiteerd werd. Op 28 april namen 5000 jonge  mensen deel aan een Jeugdijzerbedevaart van eerherstel, ingericht door het  K.V.H.V. op initiatief van Carlos Gits en van prof. J. Cardijn, die in  december 1944 na veel aandringen van de Verbondsleiding aanvaard had vijf  jaar lang erevoorzitter te zijn van het K.V.H. V. De Jeugdijzerbedevaart  was de aanloop tot de naoorlogse Ijzerbedevaarten.

Een campagne tegen de franskiljons en tegen "Louvain bilingue" bekroonde het  jaar. Na het lustrumjaar 1947 kende het Verbond een tijdelijke inzinking,  veroorzaakt door inwendige moeilijkheden.

Onder Jef den Haerynck waren de moeilijkheden voorbij, het Verbond had weer  meer dan duizend leden en men volgde eensgezind de strijdlustige, scherpe  koers van vroeger jaren. Taal- grens- en Amnestieactie waren aan de orde van  de dag.

Na Jef den Haerynck kwam in 51-52 Toon Pennings aan het bewind, en wel in  het Verbondshuis op de Bondgenotenlaan. (Later verhuisde men over de  Minderbroederstraat, de Tiensestraat, de Blijde Inkomststraat en de  Vaartstraat naar de Parijsstraat). Het eerste Verbondsbal werd tijdens het  10e Verbondslustrum gehouden. Toen Grammens (1952) kwam spreken vonden  Waalse haantjes er graten in zodat door hun houding de ene zaal na de andere  aan het Verbond ontzegd werd, en de vergadering tenslotte "ad valvas"  verboden. Deze ging niettemin door te Blanden waar speciale bussen meer dan  duizend studenten bijeenbrachten. In de nacht greep een indrukwekkende  amnestiestoet plaats op de stoepen van Leuven, de stoet zelfwas immers  verboden.

Deze twee jaren deed men een grote inspanning om aan te sluiten bij de  vooroorlogse traditie: vorming van de leden in een nationalistische en  idealistische zin, zoals in AKVS en studentenbeweging tot de jaren '30.  Tijdens de volgende jaren bleek, dat dit niet meer mogelijk was: het aantal  Vlaamse studenten was sinds '30 verdubbeld en bleef verder stijgen.  Anderzijds was de Jeugdbeweging uiteengevallen in een groot aantal  verenigingen, die meestal geleid werden door ouderen en feitelijk  jeugdzorgorganisaties waren, niet bezield door een door alle leden beleefd  ideaal. Men deed verschillende pogingen om tot meer eenheid en idealisme te  komen. Spijtig genoeg mislukten deze pogingen, meest door tegenwerking van  JVKA en andere instrumenten van het toen nog vitale clericalisme.  Het Verbond was reeds de initiatiefnemer geweest voor de Jeugdijzerbedevaart  (1946). Toen in oktober 1953 twee superpatriotten, Fosty en Demany, ook een  herstelbedevaart wilden houden met hun comité d'appel au pays, om zo de  IJzerbedevaart in diskrediet te brengen, werd te Leuven het Jeugdcomité voor  beroep op het volk gericht, dat de Vlaamse jeugd opriep naar Diksmuide. Om  de enkele duizenden van het appêl-comité rustig te kunnen laten bedevaarten  moet heel de rijkswacht ingezet worden om vierhonderd Vlaamse Jongeren "voor  hun veiligheid" op te sluiten in verscheidene eendagsconcentratiekampen. De Vlaamse Jeugdijzerbedevaart werd verhinderd; de pantserkolonne van de  Fostielenbedevaart is slechts één keer uitgereden, uitgelachen door heel het  Vlaamse land. In 1954 werd te Leuven het eerste naoorlogse Groot-Nederlands  Studentencongres gehouden. De actie te Leuven tegen de partijdige  onderwijswet van minister Collard in maart en oktober 1955 stimuleerde het  katholiek verzet in het ganse land. Hoogtepunt was de inneming van het  stadhuis, waar ook het pandoerenkot ondergebracht was, door elf studenten.  Optochten en betogingen brachten gevechten tegen pandoeren, rijkswachters en  rode knokploegen mee, dagenlang was er staat van beleg. Tijdens deze woelige  periode werd het stoffelijk overschot van Jef vanden Eynde uit Maastricht  naar Vlierbeek overgebracht. In 1956 werd Rodenbach herdacht en was er de  hulpactie (bloed en geneesmiddelen) voor de Hongaren wier opstand door de  Russische bezetter bloedig werd onderdrukt. Studenten uit het ganse land betoogden voor de Russische ambassade te Brussel. Het K.V.H.V. schonk ook  aandacht aan de sociale toestand van de arbeiders; de groep Walenwerking  begon ontspannings- en voorlichtingsavonden in te richten voor de Vlaamse  inwijkelingen in Wallonië. In 1957 begon een actie tegen de in Franse bourgeoisstijl geplande Wereldtentoonstelling '58 te Brussel; het schamel  resultaat was het inrichten van een 'Vlaamse Dag' op de W. T. Met de  cultuurverenigingen werd daarna de strijd gevoerd tegen de talentelling en voor een eerlijke afbakening van de taalgrens. Een actie voor amnestie in  1959 leidde na een betoging te Leuven tot zware botsingen met de rijkswacht.  Hetzelfde jaar richtte het K.V.H.V. een Verschaeveherdenking in, een  gebedstocht naar de gevangenis te Sint-Gillis-Brussel in het kader van zijn actie voor een menselijke oplossing van de gevolgen der repressie en voor  amnestie (tegen minister Merchiers) en een vergadering gewijd aan het  federalisme met o.m. de Waalse professor Bologne als spreker. In 1960-61 nam  het K.V.H.V. het standpunt 'zelfbestuur door federalisme' in. Het  spreekverbod voor Dr. Paardekoper, uitgevaardigd door de minister van  Justitie, gaf op 15 mei 1962 aanleiding tot relletjes te Leuven. In 1962-63,  na de eerste innerlijke reorganisatie en de 'taalkundige decentralisatie'  van de Universiteit, begon de actie tegen de faciliteiten en de  'kastescholen' geëist door de Acapsul, de verenging van de Franstalige  professoren, en voor twee volledig gesplitste universiteiten, vooralsnog  onder één centraal gezag. Doch reeds op 13 maart 1964 verklaarde Ons Leven  dat de enige oplossing was: de verhuis van de Walen naar een campus op Waals  grondgebied. Op 15 december 1964 werd te Leuven een nationale  studentenbetoging gehouden onder het motto 'Walen buiten'. Wanneer dan de  verklaring van de bisschoppen van 13 mei 1965 over de institutionele en  geografische eenheid van de universiteit bekend werd, brak de z.g.  Meirevolte uit. Betogingen -o.m. een tocht naar Waver als protest tegen de beruchte driehoek Leuven-Woluwe-Wavre en 'le tres grond Bruxelles de  l'avenir' -relletjes en stakingen volgden elkander op. Het wetsontwerp op de  universitaire expansie werd bij het protest betrokken en in februari 1968  struikelde de regering Van den Boeynants, na hevige rellen tussen rijkswacht  en studenten, over de universitaire problematiek, inzonderheid de Leuvense.  De golf van universitaire contestatie die op het einde van de jaren '60 de  ganse wereld in beroering bracht zorgde zowel binnen Leuven als binnen het  K.V.H.V. voor verwarring. Heftige polemieken tussen de traditionele Vlaamse  vleugel en een groep die zichzelf "ultra-linksen " noemde (de uitgestoten S.  V.B.) zorgde voor een langdurende algemene malaise in de studentenwereld. De  M.L.B. (Marxistisch-Leninistische Beweging), die uit het S. V.B.  voortgesproten was, kon nog een paar jaar de schijn van Leuven Rood  hooghouden. Maar haar dogmatische opstelling maakte die beweging in de zeventiger jaren tot een minuscule studentenafdeling van de PVDA (toen nog  Amada). Geleidelijk verzwakte de invloed van de "linksen" die met hun  doordravende theorieën alle impact op de studentenmassa verloren; van jaar  tot jaarwerd het rustiger op de campus. Het K.V.H.V. evolueerde terug tot  een sterk sociaal geïnspireerde Vlaamse studentenbeweging.

Na 1968 is Ons Leven hét blad geworden dat opnieuw oog heeft voor de eigen  studentenpolitiek én voor het katholiek Vlaamse gedachtegoed van het  Verbond. In april 1989 werd het honderdjarig bestaan feestelijk gevierd.  Het Verbond begon optimistisch aan het laatste decennium van de 20ste eeuw.  Er werden bijna wekelijks zeer degelijke politieke vormingsavonden  georganiseerd en het Studentenzangfeest lokte jaarlijks vele honderden  enthousiaste deelnemers. In 1991 werd voor het eerst sinds de ontdubbeling  van de universiteit een Algemeen Nederlands Studentencongres gehouden, en in  1994 vond een ludieke "bordenwasactie" plaats langsheen de taalgrens. Deze  actie haalde de nationale pers. 

Vandaag is het KVHV één van de weinige studentenverenigingen die daadwerkelijke contacten heeft in het buitenland, en vertegenwoordigd is in de hoogste regionen van het Europees Studentenverbond (EKV), een NGO die zetelt in de Raad van Europa.


Verbroedering met Oostenrijkse studentenverenigingen.


Met dank aan Mathias voor het bezorgen van de tekst.